Tanzania en Zanzibar

Wild-safari's in natuurparken en strand en zee op Zanzibar (2015)

Reisverslag Tanzania en Zanzibar - 2015

Wild-safari's in natuurparken en strand en zee op Zanzibar

http://www.vdweerd.net/reisverslagen/afrika/tanzania-en-zanzibar/reisverslag/15-17-oktober-2015-heenreis-arusha-national-park-tarangire-national-park/

(c) Wouter en Carin van de Weerd


Heenreis - Arusha National Park - Tarangire National Park

Donderdag 15 oktober

Here we go!

De reis naar Tanzania verloopt volgens plan. Om half zeven rijden we richting Schiphol. Daar halen we, na het inchecken, de dollars op die we hebben besteld bij de GWK. De traditionele cappuccino met muffin ontbreken niet op het programma. Evenmin als een bezoek aan de boekenwinkel in de vertrekhal.

Al lezend en tv kijkend, vliegen we over besneeuwde bergen (Alpen), blauwe zee (Griekenland), heel veel zand (Sahara) en weer bergen. We landen volgens planning rond 19.45 uur (plaatselijke tijd) op Kilimanjaro Airport bij Arusha in Tanzania. De rij voor het loket om een visum te kopen ($50 p.p.) is lang en slinkt traag. De rij voor het loket waar we ons zojuist aangeschafte visum moeten laten zien, is ook lang en slinkt nog trager. Na ruim een uur in de rij staan, lopen we naar buiten waar een opgewekte Cornel van Matoke Tours / Easy Travel op ons staat te wachten. Hij rijdt ons in het pikkedonker onder een rijke sterrenhemel in ongeveer drie kwartier naar Kiboko Lodge. De lodge ligt buiten Arusha, op de grens van het Arusha National Park, heeft een Nederlandse eigenaar en wordt gerund door voormalige straatkinderen. Zij worden opgeleid om hun geld te kunnen verdienen in het toerisme. Een mooi initiatief!

De poort van de lodge zwaait voor ons open. We zien niet veel van de natuur, maar horen des te meer. Het is een kakafonie van gekwaak, gepiep, gefluit, getsjirp. Liggend in bed maak ik me een moment zorgen of ik wel kan slapen bij deze geluiden. Dat duurt niet lang. Dan slaap ik al.

Vrijdag 16 oktober

Mysterieuze wekker

We worden ’s morgens vroeg wakker van iets. Maar van wat? Ik gok dat het een tropische regenbui is. Wouter zet zijn geld op de wind in de bomen. Allebei fout. De jongen die ons ontbijt serveert, vertelt ons dat we vogels hebben gehoord. Grote groepen kleine vogeltjes vliegen bij zonsopkomst op van hun slaapplek in het riet in het moeras voor ons huisje. ’s Avonds vlak voor zonsondergang komen ze weer terug. We ontbijten op een terras in het moeras. Dat klinkt niet idyllisch, maar dat is het wel. We zien zwarte ibissen, knalgele wevervogels en we horen een hop. Er schijnt ook ooit een nijlpaard in het poeltje gezeten te hebben. Die zien we niet.

Hoe ver ligt de toekomst?

Ik, en vele Nederlanders met mij, kijk vooruit, werk planmatig en spaar voor de toekomst. En deze toekomst ligt verder weg dan het einde van de dag.

Als we in Tanzania rondrijden zien we overal mensen zitten en staan. Zodra het werk van die dag gedaan is gaan ze in de schaduw zitten bij het huis. Ze hebben slechts kleine stukjes land en een paar beesten. Het werk voor die dag is gedaan. Het kleine stukje land met gewassen als banaan, koffie, cassave, soms rijst, is net genoeg om het gezin van te voeden. Meer is niet nodig. In hun ogen. Ik zou meer gaan verbouwen zodat ik handel kan drijven en mijn waren kan ruilen voor bijvoorbeeld waspoeder of het varken van de buren. Voor de Tanzaniaanse boer is dat niet nodig. Als je die dag kunt eten is het OK. En als een Tanzaniaan meer te besteden heeft dan hij die dag nodig heeft, koopt hij stenen en cement. Daarmee bouwt hij stap voor stap een stenen huis. Vandaag een paar stenen, volgende week een beetje cement. Na jaren kan hij zijn lemen hutje verlaten en een stenen huis betrekken. Er staan op het platteland vele huizen in aanbouw. Wouter en ik lenen geld (hypotheek) om een huis te kopen. Maar ja, dat zit er voor de Tanzaniaan, die nauwelijks verder kijkt dan de dag van vandaag, niet in. Welke bank gaat hem geld lenen?

Even na acht uur melden we ons bij Cornel en gaan we op pad. We honke-bonken over een bizar slechte weg, door kleine dorpjes, langs kleine bebouwde veldjes, langs heel veel zwaaiende kinderen naar Arusha National Park.

Bij de ingang van het park doet Cornel het dak van de auto omhoog. We kunnen nu staan en hebben rondom een prachtig uitzicht. We hebben met z’n tweeën een auto voor zeven personen. Genoeg ruimte om te bewegen van de ene kant naar de andere kant van de auto, afhankelijk van waar iets te zien is.

Cornel vraagt wat we graag willen zien in dit park. Ik zeg “the black and white columbus monkey”. Die wens wordt snel vervuld. We zijn koud 1 km het park in als ik een hele familie in een boom zie zitten. Bizarre beesten. Een zwart aapje met een mantel van lange witte haren en een lange witte staart. Even later zien we nog een groep, nog dichterbij. Bijzonder.

Op weg naar het hoofdkwartier van het park, waar we onze wandeling zullen starten, zien we ook nog blue monkeys. Ze zijn niet bang en behoorlijk nieuwsgierig. Leuke beesten. Ze komen naar ons toe en bekijken ons op nog geen twee meter afstand vanuit de bomen. Te dichtbij voor Wouter die met zijn grote toeter-lens op zijn fototoestel klaar staat.

Het Arusha NP staat bekend om zijn grote dichtheid aan giraffen. Die zien we hier dus best veel. Een vrouwtje wordt gemiddeld 4-5 meter groot. Een mannetje nog iets groter. Het vrouwtje heeft haren of kwastjes op haar hoorntjes. Mannetjes niet meer. Bij hen zijn de haren afgesleten door het vele kop- en nekvechten wat ze doen om de aandacht van een vrouwtje te trekken. Necking ofwel nekvechten is een bijzonder gezicht. Wij zien twee mannen in volle strijd. De lange nek van een giraffe blijkt veel soepeler dan ik had gedacht. De ene giraffe zwiept met zijn lange hals tegen de hals van de andere, die hem als van elastiek probeert te vermijden. Het ziet er meer uit als een balts of gracieuze oosterse dans dan als een gevecht. Heel elegant en zen.

We maken een wandelsafari onder leiding van twee gidsen: een leerling-gids en een gids met een geweer. Die heeft hij gelukkig niet nodig. We wandelen ongeveer 1,5 tot 2 uur door het bos, over de vlakte, de flanken van Mount Meru op en langs een waterval. Onderweg zien we een giraffe, vele wrattenzwijnen, waterbokken en een hele grote kudde buffels. Ook zien we prachtige bijeneters (white fronted bee-eaters met knalrood in de veren), red chested cuckoo, mouse bird, black eyed bull bull, shrike en zwaluwen. De mannen weten ook veel over planten. Ik vraag naar de naam van een plant met een bloemetje als een aardappelplant. Het blijkt een solomonplant te zijn. Er hoort een bijbels verhaal bij en alle onderdelen van het gewas zijn wel ergens goed voor: kiespijn, buikpijn om het bloeden te stoppen, et cetera.

Na de wandeling rijden we naar Mommela Lakes voor de lunch. De picknicktafels blijken allemaal bezet te zijn door kinderen van een private school die op een schoolreisje zijn. Ze schikken op verzoek van Cornel even in en wij passen er bij. We hebben een picknick-box meegekregen uit het hotel. De kinderen hebben kip en patat. Wij hebben kip, een koud ei en een droge boterham. Maar we zitten er heerlijk. Uitzicht op het meer met een nijlpaard, een paar sacred ibis en heel veel dodaars (grebes).

Op de middag-safari kome we ook weer veel beesten tegen: grote groepen bavianen, waterbuck, bushbuck, dikdik, duiker, reedbuck, giraffe, wrattenzwijn, zebra. En ook vogels: nijlganzen, flamingo’s, waterhoen (van het waterhoen zijn wij niet zo onder de indruk; Cornel vindt ‘m wel heel speciaal), hooded kingfisher, buzzard en de hop.

Het landschap is verrassend groen. Er staan dichte bossen, afgewisseld met een meertje of een open veldje. Het terrein heeft flinke hoogteverschillen. Mount Meru is in nevelen gehuld. Slechts 1x zien we de top.

Rond vijf uur zijn we moe gestreden. We bekijken nog een krater “Ngurdoto” vanaf de vulkaanrand en rijden dan terug naar de lodge. Het was een prachtige en hobbelige dag.

Zaterdag 17 oktober

Grote aantallen

Wouter wordt wakker van het geluid van de vogels boven het moeras. Ik word wakker van Wouter die uit bed stapt. Kortom: We staan samen om zes uur ’s ochtends voor ons huisje naar de enorme zwermen vogels te kijken. Ze vliegen eerst in het riet heen en weer en dan in grote hoeveelheden omhoog en weg over ons huisje heen. Gelukkig zonder te poepen, anders hadden we weer kunnen douchen.

Na het ontbijt treffen we bij het uitchecken de eigenaar van de Kiboko lodge. Het is onderdeel van de Watoto Foundation, die allerlei projecten uitvoert in dit dorp ten behoeve arme families, speciaal weduwen met kinderen en weeskinderen. Hij is duidelijk trots op zijn bezit en wat hij heeft bereikt. En terecht!

We rijden om 8.15 uur weg naar Arusha, waar we in het kantoor van Easy Travel (partner van Matoke Tours), een briefing krijgen. We pinnen Tanzaniaanse shillings (100.000) en kopen veel water, cola en rijst. Ja, rijst ja. Voor in de bonenzak van Wouter. Logisch toch? De bonenzak is een hulpmiddel om zijn enorme lens stabiel op de rand van de auto neer te leggen. Met de inhoud van de bonenzak kunnen we een flinke familie met gemak een paar dagen voeden en het kost een vermogen. Maar dan heb je ook wat: 4 kg rijst voor 17US$ én mooie scherpe foto’s.

Voor de winkel maak ik kennis met het schoeisel van de Masai: slippers gemaakt van autobanden. De bolling en het profiel van de band is nog herkenbaar. De Masai is een nomadenvolk, de oorspronkelijke bewoners van de Masai Mara; een (natuur)gebied op de grens tussen Tanzania en Kenia. Tegenwoordig zijn de Masai over een groot deel van Tanzania verspreid.

Arusha is een van de grootste steden van Tanzania. Het heeft 1,5 miljoen inwoners. Ik wil foto’s nemen vanuit de auto. Cornel maakt me op niet mis te verstane wijze duidelijk dat ik mijn fototoestel absoluut niet buiten het autoraampje moet houden. De gevaren komen deze vakantie kennelijk niet alleen uit de hoek van de ‘gevaarlijke beesten’.

De rit van Arusha naar Tarangire is afwisselend en we vermaken ons met het bekijken van het leven op en om de weg.

De plaatselijke kapper heeft een heel bijzondere poster om zijn zaak aan te prijzen: een poster met daarop een foto van een man met een kaal hoofd. Hier wordt geen kleurspoeling aangeraden passend in de laatste mode of een mooie permanent. Een kaalgeschoren hoofd, dat moet de klanten trekken.

De economie van Tanzania is voor een deel afhankelijk van buitenlandse investeerders. Net buiten Arusha staat een fabriek waar muskietennetten worden gemaakt, gefinancierd door Amerika. 2500 werknemers; de grootste muskietennettenfabriek (3x woordwaarde) van Afrika. Door het gebruik van deze klamboes komt malaria nauwelijks nog voor in Tanzania. Zwangere vrouwen en kinderen onder de 10 jaar krijgen een gratis klamboe van de regering om de ziekte en kindersterfte te voorkomen.

In Tanzania leven 120 stammen en elke stam heeft een eigen taal. Swahili is de officiële taal van Tanzania, waardoor kinderen op de basisschool verplicht Swahili moeten spreken en leren. Ze krijgen dan ook al Engelse les. Op het voortgezet onderwijs wordt alleen Engels gesproken en worden alle vakken in het Engels gegeven. Dit is voor veel kinderen te ingewikkeld. Ze struikelen over vakken die ze mogelijk wel gehaald zouden hebben als de lessen in Swahili gegeven zouden worden. Het schoolsysteem staat vanwege de tegenvallende resultaten en hoge uitval sterk onder druk. De Engelse taal wordt gestimuleerd zodat Tanzania internationaal mee kan komen, maar of dit de manier is? Private schools kiezen er steeds vaker voor om al vanaf de basisschool alle vakken in het Engels te geven.

We rijden langs een legerbasis. Tanzania blijkt geen dienstplicht te hebben. Alleen als je naar de universiteit wilt, moet je eerst een half jaar in dienst. Je zou toch denken dat ze hun hersens beter op een andere manier nuttig kunnen maken voor hun land!?

In de dorpjes is geen stromend water in de huizen. Er staan watertanks op centrale plaatsen. We zien onderweg veel ezels, fietsen en karren zwaar beladen met jerrycans vol water.

We rijden door Masai gebied. Er is een wekelijkse markt waar wij even gaan kijken. Met een gevolg van souvenir-verkopers verplaatsen we ons langs de geitenverkoop, slipper-shop (gemaakt van oude autobanden), groentemarkt en koeienhandel. De Masai zijn veelal gehuld in kleurige dekens en lopen met een stok. Net als op de plaatjes. Alleen nu in het echt en nu met heel veel! Bijzonder om te zien. Foto’s maken mag, maar snel en alleen van een hele groep. Zodra ik inzoom worden ze onrustig. Niet meer doen dus. Wouter koopt een t-shirt en ik een armbandje om de plaatselijke bevolking te steunen.

In Tarangire NP gaan we eerst lunchen, met de lunchbox uit Kiboko Lodge. Er lopen apen en mooi gekleurde vogels rond de tafels. Zij zijn kennelijk ook bekend met het fenomeen ‘lunchbox’.

Dan starten we met de safari. We zijn koud op weg als we een enorme groep olifanten zien. Kicken!

Er zijn een aantal waterplaatsen in het park waar veel beesten komen. Bij één van deze waterpoelen zien wij giraffes, zebra’s, wildebeesten, wrattenzwijnen en heel veel olifanten. De kudde olifanten is lekker aan het drinken en badderen als ze verrast worden door een groep wildebeesten. Ze schrikken zich een hoedje en stuiven het water uit. Veel gespetter, hard lopend, … … , recht op onze auto af. Ai, da’s dichtbij en dan zijn ze plotseling heel erg groot! Gelukkig hebben ze snel door dat het geen levensbedreigende situatie is. De rust keert terug en de olifanten keren terug de poel in.

Er zijn veel olifanten in het park, rond trekkend in grote groepen van 10-20 beesten. We komen om de haverklap een kudde tegen. Ook kruizen we een enorme kudde buffels. Echt heel veel: 500? 1000? We zien ze over een heuvel richting de rivier lopen, door de droge rivierbedding en dan weer omhoog, voor onze auto langs en richting een grasvlakte. Echt heel veel. Als de eerste buffels de grasvlakte bereiken, lopen de laatsten nog op de heuvel richting de rivier.

Verder zien we impala’s, dik dik’s en elanden. Op vogelgebied worden we verrast door vele mooi gekleurde vogeltjes en vogels. Twee soorten gieren (de bold en de grey backed/winged vulture), grey hooded kingfisher, red & yellow barbet (prachtig gekleurde vogel zittend op een termietenheuvel), neushoornvogels, magpie shrike (of ‘longtailed black shrike’ of zoiets), Heuglin’s courser en nog vele waar we de naam van zijn vergeten.

Denk niet wit

Een aantal korte gesprekken met Cornel doen me realiseren dat je huidskleur je blik op de wereld beïnvloedt. Het start met een vraag van Cornel. We staan al een tijdje stil bij een kudde zebra’s. Wouter neemt foto’s vanuit het open dak van de auto. Ik ben even gaan zitten om wat te drinken als Cornel vraagt of ik denk dat zebra’s wit zijn met zwarte strepen of andersom, zwart met witte strepen. Hij denkt het laatste, ik het eerste. Maar waarom? Omdat als ik een zebra teken, dit op een wit vel papier doe en daar zwarte lijnen op zet? Of omdat bij mij alles als blanke met wit start?

Een paar dagen later bezoeken we een masai familie. In een klein hutje dat als schooltje dient, maak ik foto’s van een rijtje kleine kinderen. Als ik ze de foto’s laat zien op het schermpje van mij toestel, word ik betast. Betast door kleine kindervingertjes. Ze willen mijn blanke huid voelen, erin knijpen, even testen of mijn huid vast zit. Voor mij is een zwarte huid ‘anders’, voor hen vormt een blanke huid de afwijking. Als ik dit aan Cornel vertel, zegt hij dat hij toen hij klein was dacht dat blanken een soort ‘albino’s’ waren. Zwarte mensen zouden vier huidlagen hebben, waarbij de vierde de donkere kleur gaf. En blanken zouden slechts drie lagen hebben. De vierde donkere huid ontbrak; de afwijking. Zwart was normaal. Om albino negers ligt een sluier van magie en mystiek. Veel Afrikaanse volken denken dat Albino’s bepaalde krachten hebben. Waar albino’s onder de apen geheel worden geaccepteerd door de groep (dat hebben we kunnen zien in Arusha NP), zijn ze bij mensen de uitzondering en spelen ze een rol in bloederige volkse rituelen. Ik vraag me af hoe de Masai kinderen mij hebben gezien. Als een mislukte zwarte? Als een albino met magische krachten?

En dan is het alweer zes uur en moeten we terug naar het kamp. We slapen in Tarangire Lodge in het park, met zicht op een vlakte en de rivier. Wat een uitzicht! De lodge heeft een enorme open lounge met lekker stoelen en een groot terras met dat uitzicht. Wij slapen in tent 20; bijna de laatste van het rijtje, met uitzicht op de rivier. Een prachtige plek met een tent die van alle gemakken is voorzien: wc, douche en een heerlijk groot bed. Wat een heerlijkheid. Wat een plek.

Als ik onder de douche sta hoor ik buiten het geknor van wilde beesten. Maar welke? Er staan geen hekken om de lodge (ook niet om het nationaal park trouwens) en we mogen alleen met een begeleider van de tent naar het hoofdgebouw lopen. Je weet nooit wat je tegenkomt. Als het donker wordt, is het werkelijk pikkedonker. Als het roofdier dat je besluipt zo slim is om geen geluid te maken, ben je kansloos.

Ons diner is in buffetvorm, veel keus en erg lekker. Na het eten genieten we van een koffie in de lounge. Er waait een lekker (edoch stevig) windje. Fris is het niet, een trui is niet nodig. Wat een plek om te zitten. Ik voel me rijk (misschien ben ik dat ook wel).

Huisje, boompje, beestje, hekje

Eén industrie die in Nederland goed boert, maar in Tanzania geen poot aan de grond zal krijgen is de prikkeldraad-industrie. Afscheidingen, hekken, prikkeldraad. We hebben het niet of nauwelijks gezien. Niet om huizen, niet om hotels/lodges/tentenkampen en niet om de natuurparken. Dieren kunnen vrij migreren binnen en tussen de natuurgebieden. Daarbij kruizen ze wegen, dorpen en ook lodges en tentenkampen. Lopen van onze tent naar het restaurant van de lodge wordt daarmee een gevaarlijke activiteit. In het donker mogen we ons alleen buiten begeven onder begeleiding van een escort. Het is niet ondenkbaar op onze route een buffel of leeuw tegen te komen. De escort is daarom voorzien van een … … zaklamp. Ja, echt. Licht zou voldoende zijn om wilde beesten op afstand te houden. Ik ben blij dat we dit niet hebben hoeven testen.

Geen hek dus om een nationaal park. Geen hek om de kuddes koeien en geiten van de masai. Waarom zetten wij in Nederland eigenlijk al dat prikkel- en schrikdraad om die paar koeien die tegenwoordig nog in de wei mogen lopen?

Hier zie je geen schutting om erven of huizen. De hutjes van de Masai staan per familie, kris kras verdeeld, soort van bij elkaar. Als er wel een hek om staat, klopt er iets niet. Dan is het een dorpje dat er speciaal voor de toeristen is neergezet, vlakbij de doorgaande weg. Hier wonen ze niet, hier komen de Masai om te werken: Masai-tje spelen voor toeristen. Daar moet een hek om, anders herkennen wij het niet. Hoe treurig is dat.