Reisverslag - dag 10 t/m 12
Dag 10 - Zaterdag 24 maart: Chiang Mai - Pai
Ik start vandaag maar met een goede ‘cliffhanger’: We komen net bij een begrafenis vandaan. Het is nu rond 8 uur ’s avonds. Als je wilt weten hoe we daar kwamen, lees
dan verder.
We hebben vandaag geen zin in gehaast en gesjees. We staan pas om half 8 op en gaan dan rustig ontbijten. Het is weer een groot ontbijtbuffet. Het is in een enorme ruimte die ons nog
het meest doet denken aan een enorme ontbijtzaal bij een Disneyhotel in Parijs (maat en sfeer van een vreetschuur). Het eten is goed en lekker. Bijzonder is dat ze hier naast chinese
croissants (= soort oliebol), ook chinese poffertjes hebben. Deze zijn gemaakt van rijst en cocosmelk. En beetje zoet en een beetje klef, maar wel lekker. Ik zet de mevrouw die ze maakt
in actie op de foto en laat haar op het schermpje van mijn toestel het resultaat zien. Hilariteit alom!
We verlaten om half 10 het hotel en rijden vrij makkelijk Chiang Mai uit via de 11 en later slaan we af richting Pai.
Onderweg maken we een stop bij een deel van het “Doi Suthep National Park”, waar we een rondje wandelen en een waterval zien. Toegang tot het NP is 400 Baht pp.
We eten bij een tentje onderweg. We hebben 2 flesjes cola, Wouter heeft rijst met kip en ik heb noodle soep met kip. Dit alles voor maar 50 baht! Ongeveer 1 euro! Het oude vrouwtje dat
afrekent kan geen Engels en komt bij onze tafel kijken wat we hebben gegeten. Ik geef haar 120 baht, met het idee “ik zie wel of en zo ja wat ik terugkrijg”. Nou, veel
dus. Waarschijnlijk te veel. Hier kan ze niets aan verdiend hebben.
We stoppen ook bij een bijzondere Wat onderweg. Heel kleurig met mooie schilderingen en leuke beelden langs de trap naar boven. Bij en rond de Wat is het uitgestorven.
Dan rijden we door naar Pai. We doen langer over de autorit dan we dachten. De weg gaat door de bergen en kronkelt heel erg. Ook is een deel onverhard.
In Pai kiezen we een overnachtigsplek op 6 km buiten Pai: Spa Exotic Home. We vallen voor de ‘private hot tub’ die in de Lonely Planet wordt genoemd. Er is 1 chalet/huisje
met airco. Deze nemen we. (1200 Baht inclusief ontbijt). We komen hier rond 4 uur aan. Te laat om nog verder op pad te gaan naar de bergvolken. Daarom maken we onze luie dag maar compleet
met een bezoek aan de spa van ons ‘hotel’. Deze spa is ook voor niet-gasten toegankelijk (200 pp. geloof ik). De spa wordt gevuld met warm geiserwater: warm …. zeg maar
heet! Pfff wat een heet water! Het ruikt een beetje naar zwavel en is een beetje vettig. Het is mooi aangelegd. Ik denk nog dat het de bedoeling is dat je hier zwemt en trek een
baantje. Zwemmend, tot je kin in het hete water is echter te heet om lang vol te houden. Ik moet weer even bijkomen, zittend op de rand van het water. Daarna waden we er rustig doorheen,
met tussenpauzes om een beetje af te koelen. Na het hete water koelen we af in en bak met koud water. Het is een zwaar leven: beetje dippen in een heet water-spa en bijkomen op een bedje
in de zon/schaduw.
We willen bij ons ‘hotel’ eten. In de Lonely Planet staat dat ze goed eten serveren. Helaas is de kok er niet en wordt er niet gekookt. We moeten dus op pad. Aan de
doorgaande weg zijn veel mensen en wordt ook gegeten. We snappen niet helemaal waar we eten kunnen kopen en staan wat om ons heen te kijken als een vrouw op ons afkomt. Ze stelt zich voor
en geeft ons een hand. Ze vraagt wat we zoeken. Als we aangeven dat we willen eten, vertelt ze dat er geen restaurant is. Dit is de begrafenis van haar vader en ze wijst naar een bouwsel
met knipperlichtjes in allerlei kleuren. Ons doet de kist met versierselen denken aan een wagen voor een carnavalsoptocht of in de ‘electrical light parade’ bij Disney. Ze
rouwen tot dinsdag. Vandaag is er een soort herdenking waarbij ze voor alle gasten gratis eten hebben. Er is nog eten en ze nodigt ons uit om mee te eten. Heel bijzonder. We staan ook
een beetje met ons mond vol tanden. Tja, wat zeg je dan. Ze is erg gastvrij en vraagt een blanke man ons mee te nemen naar de plek waar het eten gemaakt wordt. We krijgen twee bakjes: iets
heel heets en ‘beef’ met groente, en twee zakjes rijst. Gelukkig komt een meisje later een fles water brengen. Het ene bakje is echt heel heet. Het meisje komt bij ons zitten
en na wat spraakverwarring en taalproblemen ontdekken we dat de man die is overleden Thom heet. Het is Thom van “Thom’s Elefant Center”. Dit staat in de Lonely Planet
beschreven bij Pai. Het is dus een publieke persoon en trekt waarschijnlijk daarom ook zo veel mensen. Het voelt heel gek om hier tussen te zitten, zo tussen de rouwenden met z’n
tweeën aan een tafeltje. Ik vraag me ook af wie wie bekijkt.
Terug in onze cabin/hut laten we onze privé ‘hot tub’ vollopen en gaan maar weer eens badderen. Zittend in onze tobbe horen we de dienst voor de begrafenis van Thom
en er wordt ook vuurwerk afgestoken. Enorme knallen. Het klinkt als vuurwerk wat in Nederland illegaal zou zijn.
Dag 11 - Zondag 25 maart: Pai – Soppong – Chiang Mai
Als we om half 8 op het ontbijtterras komen, is er niemand te bekennen met uitzondering van de huispoes. Even later komt de mevrouw met een handdoek om bij de spa vandaan. Zij heeft
nog even genoten van het hete water op deze frisse ochtend. Het is maar 18,5ºC! Zo ‘koud’ hebben we het in Thailand nog niet gehad.
Als we weggaan uit het ‘guesthouse’ zien we dat de rouwrituelen rond Thom weer in volle gang zijn. Er zitten weer mensen en er wordt ook al weer gekookt en gegeten. Ongezien
de ‘praalwagen’ fotograferen is dus onmogelijk.
We gaan op pad naar Soppong. Vanuit dat dorp zijn, volgens onze reisgids, al wandelend verschillende dorpen van bergvolken te bezoeken. Wij zijn wel benieuwd naar de mooie klederdrachten
en gaan vol goede moed op pad. De weg is weer erg bochtig. Na ongeveer 1,5 uur komen we aan in Soppong. Daar hebben we echter geen idee hoe en waar we nu bij de dorpen van de bergvolken
terecht komen. We gaan eerst maar eens ergens koffie drinken. Daarna gaan we naar “Little Eden’s Guesthouse” omdat in de Lonely Planet staat dat ze daar Engels praten en
voor eigen gasten ook uitstapjes organiseren. Daar stellen we de ongetwijfeld onnozele vraag waar we bergvolken kunnen vinden. Volgens de mevrouw van “Little Eden” zijn deze
dorpen overal. Alle is ‘tribal’. Alleen de winkeltjes langs de doorgaande weg zijn van Thai. Alle dorpjes om de grote weg heen, aan kleine weggetjes zijn van de verschillende
volken: Red Lahu, Black Lahu, Karen, Hmong, … We moeten aan de mensen en huizen kunnen zien dat het anders is dan elders in Thailand. Ze wijst ons een beetje de weg op een kaart en
wij gaan weer op pad.
We rijden richting LAD-cave. De omgeving is droog, verbrand en met af en toe wat veldjes met bebouwing. De dorpen waar we doorkomen zijn arme dorpen met schamele
huizen. We zien wel mensen, maar zij hebben ‘normale’ kleren aan. Het valt ons nogal tegen. Dat deze mensen van een ander ras/volk zijn kunnen we niet aan ze zien. Eerder deze
vakantie hebben we al wel duidelijk onderscheid gezien tussen het fijne slanke Thaise ras en een ras (meer noordelijk, boven Sukhothai) die ook klein zijn maar steviger, meer gedrongen. Zij
hebben ook een ronder en platter gezicht. Ze zijn minder knap dan de ranke Thai.
Nadat we op onze ‘bergvolk-spotting-route’ twee monniken hebben gezien met bedelnap en een groep waterbuffels, keren we om en veranderen ons plan. Dit gaat niets worden. Mooie
traditionele kleren zijn hier niet te zien. We zien meer mooi geklede dames op scooters en in open laadbakken van auto’s langs de doorgaande weg, dan hier in de rimboe.
We hebben onvoldoende tijd om door te gaan naar Mae Hong Son. We moeten maandagavond de auto inleveren in Chiang Mai. Het lijkt ons niet mogelijk om in 1 dag van Mae Hong Son naar
Chiang Mai te rijden, gezien de belabberde weg en alle bochten. We besluiten vanmiddag al terug te rijden naar Chiang Mai. Dan gaan we morgen naar het Doi Suthep NP bij Chiang Mai.
We rijden in 5 uur (van half 12 tot half 5) van Soppong naar Chiang Mai. We lunchen onderweg in Pai. Het is een weinig aantrekkelijke rit; heel veel bochten, veel droge dorre natuur, weinig
bebouwde velden en veel rook/mist in de lucht zodat de uitzichten weinig uitzicht bieden. We zijn blij als we weer in Chiang Mai zijn. We checken in in het “Lotus Hotel Pang
Suan Kaew”. Inderdaad hetzelfde als eergisteren. Dat was goed bevallen. We weten de weg erheen én het is aan de goede kant van de stad om morgen naar Doi Suthep te gaan.
Nadat onze tassen op de kamer zijn gebracht kleden we ons snel om en gaan naar het zwembad. Hè lekker! Het is weer zo’n 38ºC vandaag volgens de thermometer in de auto.
Dag 12 - Maandag 26 maart: Chiang Mai
We hadden vroeg (6 uur) op willen staan om naar een Wat te gaan en daar de bedelende monniken te zien. Monniken schijnen ’s ochtends vroeg vanuit de Wat de straat op te gaan om
eten op te halen. Dat is hun eten voor de rest van de dag. Ze noemen het geen ‘bedelen’. Het is de ander de gelegenheid geven om een goede daad te doen en diens gulle hart te
tonen. Aldus de boeddhisten.
Het vroege opstaan mislukt omdat Wouter vergeten is de wekker te zetten. We worden om half 8 wakker.
We gaan met de auto op pad naar Wat Suan Dok, dichtbij het hotel. Bij deze Wat is ook een school waar monniken en nonnen worden opgeleid. Het stikt er van de monniken en nonnen in alle
soorten en maten. De kleine monniken zijn allemaal kaal geschoren. De kleine nonnetjes hebben allemaal staartjes. We vallen in aan het einde van de boeddhistische les. Ze zitten op hun
knieën in rijen (monniken en nonnen apart) in de Wat, terwijl een opper-monnik de leer predikt (denken we; het is natuurlijk niet te verstaan). Als de les voorbij is, paraderen ze rij
voor rij de Wat uit. Daarna hebben ze vrij.
De kleine monnikjes vinden het leuk om op de foto te gaan. Voor ons dus wel handig. We lopen om de Wat heen. Het is een mooie grote Wat, met een enorme gouden stupa erachter en heel veel
witte chedies en witte grafbouwsels.
Aan de zijkant vraag ik twee oudere monniken of ik ze mag fotograferen. Dat mag. Eerst moet de kledij goed gedaan worden en vervolgens gaan ze in ‘staatsie portret pose’ klaar
staan.
Dan begint de volgende boeddhistische les in de Wat. De opper-monnik staat weer vooraan iets te vertellen en de meeste monnikjes en nonnetjes zitten te luisteren. Met uitzondering van een
paar monnikjes. Zij worden door een ouderejaars geholpen met hun kleding. Dan zie je pas hoeveel stof ze dragen en hoe ingenieus het om hen heen is gedrapeerd. Het is een heel gedoe met
die enorme lappen stof. Ik maak er een filmpje van.
Na de Wat gaan we naar Doi Suthep. Dit is een berg waar Chiang Mai tegenop/naast is gebouwd. Op de berg zou je een mooi uitzicht over de stad kunnen hebben. Ware het niet dat er weer
een dichte nevel/mist hangt. Wij zien vooral veel wit. Halverwege de berg is Wat Phra That Doi Suthep.
Om bij de Wat te komen moet je ruim 300 treden omhoog. Beneden bij de P kopen we vers fruit wat we boven bij de Wat lekker op kunnen eten. Op de trap omhoog zitten meisjes in klederdracht.
Het is niet geheel duidelijk of ze geld willen hebben. Ze zitten gewoon te zitten en te slapen. Totdat de sproeiinstallatie aangaat op het stukje gras naast de trap. Deze sproeit heen en
weer en daarmee soms op de trap. Nu komen ze tot leven en proberen al spelend te schuilen voor het water en weer te gaan staan als de sproeier voorbij is. Wel leuk; dan zijn ze weer even
kind in plaats van een pop met mooie kleren.
In de Wat staat een jaden boeddha en nog een beeld van een boeddha die in Thailand erg beroemd is. Er lopen ook veel monniken rond als toerist, zodat het helemaal ‘echt’ lijkt.
Dat is toch anders dan wanneer er alleen blanke toeristen lopen.
In de Wat zien we monniken tot boeddha bidden. Als ze klaar zijn gaan ze voor een monnik zitten die in de tempel zit. Hij spreekt hen toe en spat met een bos takken water over ze hen. Dan
gaan ze naar buiten en lopen een rondje om de gouden stupa. Aan het einde van dit rondje staan ze nog kort stil voor een gebed. Bijzonder om deze gebruiken te zien.
We eten ‘yellow curry with chicken’ beneden bij de parkeerplaats. Het is erg lekker (60 Baht p.p.).
Onze tweede stop op Doi Suthep is ‘the royal winterpalace’. Hier is de koning tijdens de winter (december – maart) en tijdens koninklijke bezoeken. Ook hier moeten we
weer ‘proper dressed’ naar binnen. Wij dachten dat we na de Wat (waar we ook in lange broek en blouse rond moesten lopen) nu wel bloot zouden kunnen. Nee dus. De Thai vereren
hun koning dusdanig dat respectvolle kledij daar een logisch uitvloeisel van is. We hebben tijdens onze vakantie al vele uitingen van de liefde van het Thaise volk voor hun koning
gezien.
- Langs de weg staan heel veel vlaggen zowel de Thaise vlag (rood wit blauw) als de gele vlag van de koning.
- Op taxies, t-shirts, en dergelijke staat regelmatig de leus “we love the king”.
- Als Thai met een groep een dagje uit gaan, trekken ze een koningsgeel shirt aan met het embleem van het koningshuis. Het doet ons denken aan Nederlanders die iets van oranje aan doen
naar een internationaal sportevenement. Alleen zij doen het bij elk willekeurig uitje. Je ziet hele gele groepen. Op zich onhandig want snel herkenbaar voor elkaar of als groep zijn ze
hiermee niet. Bijna alles en iedereen is geel.
- De liefde voor de koning is ook te zien aan de vele afbeeldingen van de koning en diens vrouw Sirikit overal in de stad. Er zijn grote billboards met hun foto’s en bogen/bruggen
over de snelweg, speciaal om een foto van de koning te kunnen tonen.
Het is grappig om te zien dat ze verschillende foto’s van de koning gebruiken; recente en minder recente, officiële en informele. Aan het begin van de vakantie (omgeving
Bangkok en Kanchana Buri) denken we nog dat de koning een relatief jonge man is. We zien dan steeds afbeeldingen uit zijn jonge jaren. Later zien we vooral foto’s van de oude koning. Het
is dus niet zo dat ze steeds de foto’s vervangen voor meer recente afbeeldingen. Ook opvallend is dat de foto’s van de koning en zijn vrouw niet alleen staatsieportretten zijn,
maar ook foto’s terwijl Bhumibol bijvoorbeeld de landkaart leest, naar zijn neus wijst of een fototoestel op zijn buik heeft. Z’n PR-man adviseert hem duidelijk om zichzelf
als ‘gewone’ man te presenteren; een man van zijn volk. En met succes, want … ‘long live the king!’.
We vragen ons af wat er zal gebeuren als de Thaise koning overlijdt. Dat moet toch een enorme nationale rouw tot gevolg hebben. Heeft hij eigenlijk wel een troonopvolger? We betwijfelen of
Bhumibol een troonopvolger heeft omdat we op foto’s alleen hemzelf en zijn vrouw zien. In het winterpaleis blijken echter ook optrekjes te zijn voor een prinses en de kroonprins
(Zo wordt hij in ieder geval in de folders genoemd. Later horen we van onze gids in Phuket dat het niet zeker is dat de zoon de volgende koning zal worden. Het volk heeft liever dat een
dochter de troon bestijgt). We hebben ons dus voor niets zorgen gemaakt over de toekomst van het Thaise koningshuis.
Het winterpaleis bestaat uit meerdere gebouwen omgeven door een prachtige tuin. Als wij er zijn is de tuin ook heel goed onderhouden en staat het in volle bloei. Er zijn heel veel
orchideeën. We vragen ons af of alles nu extra mooi is omdat het het einde is van de Thaise winter en de koninklijke familie wellicht net weg is. Of is het altijd zo mooi onderhouden en
in bloei? We vermoeden dat de beste bezoektijden het begin en einde van de winter zijn.
Om ons ‘hilltribe disaster’ van gisteren in Soppong goed te maken, volgen we borden naar een Hmong dorp, in Doi Suthep NP. De borden geven eerst aan dat het 8km verderop is.
De weg is dan nog geasfalteerd. Later is het nog 3km. De weg is dan onverhard, heel smal en heel slecht. We rijden zo’n 5km verder en zien alleen 3 huizen dicht bij elkaar. Is dit
het Hmong dorp? Verder komen we langs een onderzoekslaboratorium van de universiteit van Chiang Mai. De mensen die we hierbij zien hebben gewone westerse kleren aan en aan niets kunnen we
zien of zij deel uitmaken van het Hmong bergvolk.
Teleurgesteld gaan we weer terug dezelfde slechte, steile en smalle weg. Onderweg passeren we 2x een kraan voor wegwerkzaamheden en een paar keer een kleine vrachtauto. Steeds als ik zit
te kirren dat het nooit past en dat we elkaar hier absoluut niet kunnen passeren; kruipt Wouter behoedzaam met onze mega-bak langs de tegenligger. Dit alles onder aanmoediging en
aanwijzingen van de tegenligger. Tss… dat dat past!?! Het gaat gelukkig steeds goed.
Na wederom een mislukte poging om een authentiek bergvolk te zien, gaan we voor de meer toeristische optie. We gaan naar het Hmong dorp dat het dichtst bij het winterpaleis ligt en
waarvan de Lonely Planet schrijft dat het wel erg toeristisch is. Ook dit wordt een teleurstelling. Het is wel echt een dorpje. Er zijn inderdaad veel stalletjes met souvenirs. Maar
traditioneel geklede mensen zien we niet. Wij kunnen wederom weer niet aan het dorp of de mensen zien tot welk volk ze behoren en wat ze zo speciaal maakt. Enigszins gedesillusioneerd stappen
we weer in de auto. In reisverslagen van anderen op internet en in de Lonely Planet leek het bezoeken van bergvolken iets wat makkelijk zelf te doen is. Zien zij wel mooie traditionele
kledij? Zijn wij er op het verkeerde moment? ….? ….?
We gaan terug naar Chiang Mai. Dit keer gaan we naar het “Royal Princess Hotel” aan de oostkant van de stad. In dit hotel zit ook het kantoor van de Avis waar wij onze auto
vanmiddag om 6 uur in moeten leveren. We rijden feilloos naar de straat waar het hotel aan ligt. Maar dan …. . Dan raken we weer verblind door alle Thaise borden, teksten en
schreeuwende reclames (ik) en afgeleid door het verkeer van langs knetterende brommertjes in allerlei soorten en formaten (Wouter). Kortom bij onze eerste poging rijden we het hotel ongezien
voorbij. Het kost wat keren, kaart lezen, straatnaambordjes zoeken, et cetera om het hotel te vinden. We komen er om 17.55 uur aan. Net op tijd. De man van de Avis is dan alleen al
naar huis.
“Royal Princess Hotel” is een luxe hotel met mooie ingerichte kamers en een prachtige hal. Hier is duidelijk een Thaise Jan de Bouvries bezig geweest.
Het hotel is extra aantrekkelijk omdat het aan de straat ligt waar ook de beroemde ‘nightmarket’ van Chiang Mai. We stappen rond 7 uur het hotel uit en zo de markt op. Langs
de straat/stoep zijn aan beide kanten van de weg stalletjes met allerlei souvenirs.
Het is nog steeds erg warm. Op Doi Suthep was het 31-35ºC. Hier is het minimaal even warm, als is het avond en al lang donker.
We gaan eerst op zoek naar eten en vinden een aantal restaurantjes op een ‘foodmarket’ (=even van de weg af). Hier staat en volslanke vriendelijke breed lachende Thaise kokkin
haar ‘PadThai’ aan te prijzen, terwijl ze tussen de ingrediënten en wok/pannen staat te koken. We hebben geen idee wat PadThai is, maar deze vrouw is zo enthousiast en
ziet er uit alsof ze weet wat lekker is. Dus kopen we PadThai bij haar (30 Baht pp.). Het is inderdaad erg lekker. Onverwachte complicatie lijkt te worden dat ze alleen stokjes heeft en
geen bestek. Hmmm… Hoe gaan we dat doen? We worden al nieuwsgierig gadegeslagen door de bediening van een ander restaurant. Wouter legt me even uit hoe ik de stokjes moet vasthouden
en dan gaan we allebei eigenlijk onverwacht soepel. Het met stokjes eten hebben we aardig onder de knie. We hebben cola bij het eten, waar we de dubbele prijs voor moeten betalen omdat we
er geen ijs in willen.
Na de heerlijke PadThai gaan we souvenirs shoppen. We kopen een olifant-marionet, een ketting, een windorgel met olifant voor Marcel, kruiden voor buurvrouw Eggink, een grappige duizendpoot
die over de grond glibbert voor Remco en een opschrijfboekje voor Fenna. Alleen voor een mooi tafelkleed voor mam slagen we niet. Ik vind ze allemaal minder mooi dan het tafelkleed dat we
voor onszelf uit Ecuador hebben meegenomen. Mam vond dat kleed ook erg mooi en dat gebruik ik als maatstaf.
We genieten van een mocca-iced-coffee op een terras; lekker mensen kijken! En we mailen nog even naar huis. We hebben mailtjes van pap en mam, van Roos en van buurvrouw Broekhuizen. Erg
leuk om berichtjes uit Holland te lezen. Buurvrouw Broekhuizen vraagt om wat mooi weer mee te nemen naar huis. We zullen wat voor haar proberen in te pakken!
|